Column ‘Vergeetwoord’

Column door Ton Wagenaars

Mijn vervreemding met de hedendaagse samenleving neemt angstaanjagende proporties aan. En met die verwijdering van de huidige wereld word ik ook steeds milder. De ouderdom maakt me uiterst genuanceerd in mijn uitlatingen, als ik al niet geheel zwijg. Waar is de tijd gebleven dat ik welhaast na ieder essay een bombrief of doodsbedreiging mocht ontvangen omdat ik me weer eens uiterst balorig had geuit over netelige situaties in mijn leefomgeving. Ik ontdek steeds vaker dat mijn vroegere wereld nagenoeg is verdwenen. Ik spreek de taal ook niet meer en ik versta hem niet meer. Computertaal is aan mij niet besteed en ook in de gehele digitale wereld waarin ik niemand meer lijfelijk ontmoet, ben ik dolende. Podcast, inloggen, DigiD … ik hang direct op. Hopeloos achterlijk ben ik als het technische noviteiten betreft. Onlangs werd mij getoond hoe je op je horloge alles kon betalen, de temperatuur kon aflezen of bij de trein of bus kon inloggen. Daar hebben ze apps voor. Je houdt je horloge gewoon voor een schermpje …Ik ben zo’n domme, achterlijke stumperd die op zijn horloge kijkt om te weten hoe laat het is.

Traktement
Wel heb ik een warme interesse gekregen voor de zogenoemde vergeetwoorden. Woorden die dreigen te verdwijnen uit onze taal. Om heel veel verschillende redenen. Veelal zijn ze in onmin geraakt omdat de producten niet meer bestaan. Ook de gebruiken zijn vaak niet meer aan de orde. In mijn eerdere leven werden ze dagelijks gebezigd en iedereen kende ze. Deze week nog een kort dispuut gehad met mijn kleinkinderen. “Hoeveel traktement krijgen jullie eigenlijk per week?” Geen enkele reactie, louter vragende blikken en het vertwijfeld kijken naar hun moeder. Die laatste had echter ook geen idee. Traktement? Ik had misschien zondagscenten moeten zeggen, maar ook dat had waarschijnlijk geen herkenning opgeleverd. We zijn toen maar aan het zoeken geslagen naar meerdere verdwenen archaïsmen en dat leverde best een scala aan vergetelheden op.

Zo waren er volop heerlijke aloude woorden in de wereld van snoep en voeding. Ik herinner me nog het ventje dat tegen zijn moeder jengelde dat hij geen drop lustte maar wel sep. Trekdrop mocht wel. En ook de grote brokken jodenvet vormden toen nog geen reden tot vragen in de Tweede Kamer. Datzelfde gold voor ‘zwart-en-wit’ want salmiak klonk gewoon bekakt.

Ook in de wereld van kinderspelen verdween veel: vliegerpapier dat nog in grote vellen kon worden aangekocht om daarna met de schaar in de juiste vorm te worden geknipt en later vastgeplakt. Knikkers waren nog vaak stuiters en het werkwoord gorren werd door ieder schoolkind gekend. Geknikkerd werd nog op het zand en dat ging vaak vriendschappelijk met teruggave van de buit. Werd het menens en konden de gewonnen stuiters worden behouden, dan speelde je ‘voor de houwes’. En vaak bijna op leven en dood.

Op de lagere school, geen basisschool, had je nog zes klassen met tussen de middag anderhalf uur pauze om naar huis te gaan waar moeder wachtte met melk en boterhammen die ze nog zelf sneed op een broodplank. Het hoofd der school was nog hoger in rang dan de gewone meesters en juffen, hij was de bovenmeester en je lichtte je hoed als je hem op straat tegenkwam. Als een tekst meerdere malen gemaakt moest worden, gebruikte je carbonpapier en als je met je knickerbocker op je (niet elektrische) fietsje stapte, zette je je voeten op bloktrappers zodat je fiets nog wat extra jaren meeging. Je ging voor het fatsoen om de vier weken naar de barbier die je volledig scalpeerde. De meisjes kregen een rattenkopje want dan konden ze er weer twee maanden tegen. Als je een vraag niet goed had gehoord vroeg je: wablief?

Zo ben ik weer beland in mijn nostalgische wereld waarin we elkaar verstonden en tegenkwamen en waar nog een zekere beschaving bestond, waar je niet alles na een gebruiksbeurt weg pleurde en waar je blij was met een boek, het liefst met enkele illustraties. Waar je rond je twintigste jaar op zoek ging naar een betaalbare woning en daar ook nog eens snel ging wonen. Huizen zonder dubbel glas, met een zware bakelieten telefoon in het gangportaaltje en een teiltje in de keuken voor de schoonmaakbeurt op zaterdagavond. Achter het huisje bevond zich het kolenhok, waar twee maal per jaar sterke roetzwarte mannen de zakken kolen in gooiden. Per mud, wel te verstaan.

Als ik dan in een weemoedige bui de televisie uitzet vanwege te veel bagger en te weinig zinnige informatie en onderduik in de muziek op mijn radio (geen tuner) denk ik met medeleven aan al die mensen van mijn leeftijd of nog veel jonger die lijden aan Alzheimer en derhalve nog veel meer vergeetwoorden vergeten.

Kijk ook bij

N65: Niet zeuren. Er moet wat gebeuren!

Deze aflevering bewijst dat je met modellen alles kunt bewijzen en bewijst daarnaast een ernstige …