Home / Algemeen / Mijn geboortehuis, de Hervormde Kerk in Vught
Patisserie De Rouw

Mijn geboortehuis, de Hervormde Kerk in Vught

Het is koud en regenachtig. Een stevige noordenwind waait rond het kerkje, dat daar staat als een ingepakte oude vrouw, rondom in de steigers. Er wordt gewerkt door mannen van aannemersbedrijf Nico de Bont. In Brabant een begrip. Hij herstelt oude glorie. Dit mooie gotische kerkje, de Hervormde Kerk in Vught, werd gebouwd aan het begin van de vijftiende eeuw als R.K. kerk. Na de reformatie werd het een Hervormde kerk. In 1821 is het middenschip van de kerk, dat geheel vervallen was geraakt, gesloopt. Het koor is met een buitenmuur afgesloten en zo ontstond de huidige kerk, los van de toren. De muren murmelen. Ik trek mijn sjaal wat vaster om mijn hals, hier werd ik geboren op 23 juni 1940.

Door Wil Vreeburg

Hier woonde ik en groeide ik op gedurende acht jaar, waarvan de eerste vijf in oorlogstijd. Voor mijn ouders en opa en oma een tijd die in het teken stond van armoede, angst en spanning. Wonderwel wisten ze bij mij de herinnering achter te laten van veiligheid, onbezorgdheid en vreugde. Alleen aan het eind van de oorlog in 1944 herinner ik mij nog de bombardementen en de granaatinslagen in ons huis. Ook de granaatscherf die door het bovenraampje van de alkoof naar binnen vloog en door de kamer vlak boven mijn bed insloeg, dat scheelde niet veel of ik was er niet meer geweest. En die dag toen wij ons hadden verschanst in, wat wij noemden de kelder achter de alkoof. Het was geen diepe kelder maar een ruimte waar de levensmiddelen werden bewaard. Daar sliepen we op de grond en hoopten op die manier van granaten en bominslagen gevrijwaard te blijven. We kwamen die week slaap te kort doordat er heftig werd gevochten en alle onrust in de omgeving, maar deze nacht sliepen we allen zeer diep en hoorden niets van de bombardementen. De volgende morgen stond de zon hoog aan de hemel toen we wakker schrokken door gebonk op de voordeur. Oma ging voorzichtig kijken en zag daar de familie Van Keulen voor de deur staan. Toen ze de deur opende ging er een gejuich op terwijl werd geroepen, ‘ze leven, ze leven nog, ze zijn niet dood.’ Armen werden om elkaar heen geslagen en er werd gezoend. We keken verbaasd met slaperige hoofden om ons heen. We waren aan de dood ontsnapt. Overal lag puin en was de ravage te zien die granaten in de omgeving en rondom ons huis die nacht veroorzaakt hadden. Dit was mijn veilige basis, oma en opa en mama waarop ik kon bouwen. Zij kleurden het leven van alledag bij me in. De wandelingen met opa, die graag vertelde over de natuur. ‘Kijk, zie je dat paard daar? Weet je dat een paard ons tweemaal zo groot ziet dan we in werkelijkheid zijn? Ja, zo is dat. En ik stelde me dat zo voor en zei, ‘dan zal een paard wel heel bang zijn van ons, want hij ziet dan allemaal reuzen.’ Trots was ik wanneer ik mee mocht helpen om de Airedaleterrierpuppies eten te geven. ‘Let op die kleine daar, dat ze hem niet wegduwen.’ Bij oma kon ik terecht met mijn vragen, waar mama het antwoord op moest schuldig blijven. Op een dag liepen we weer te wandelen toen opa plotseling naar de hemel wees en uitriep: “Zie je die ooievaar daar, nu moet je luid zingen, ooievaar lepelaar breng voor mij een kindje, en dan brengt hij misschien een broertje of zusje voor jou.” Ik keek opa verbaasd aan: “Is dat echt waar opa? “ “Mmm, echt waar!” Ik vroeg mij af hoe dit mogelijk was maar opa wist alles dus zong ik uit volle borst. En warempel, enkele weken later werd mijn broertje geboren in augustus 1946.

Als behanger- en stoffeerder was opa een kleine zelfstandige. Naast het kosterschap werkte opa in de grote werkplaats die achterin de tuin stond. Hij maakte tijdens de oorlog klompen en pantoffels. Regelmatig kreeg hij opdrachten voor het bekleden van stoelen. Die opdrachten kwamen meestal uit het villapark in Vught. Uren zat ik te kijken naar zijn vlijtige handen die zelfs een nieuwe uit hout gesneden leeuwenkop op een Mechelse leunstoel maakten. Het mooiste moment kwam als opa tevreden naar zijn werk keek en zei: “Zo, deze kan weer naar zijn baasje en dat gaan we samen doen, wat vind jij daarvan?” Wat een feest als ik voorop de bakfiets op die stoel mocht zitten en trots als een pauw door het dorp naar het villapark reed. Glunderend keek ik naar de mensen, die ons glimlachend toeknikten. Voor het huis heeft opa een zandbak gemaakt waarin ik oliebollen zit te bakken, een voor oma, een voor opa en een voor mama. Een papa kan ik mij niet herinneren, die is in april 1943 als dienstplichtige door de Duitsers opgeroepen en voor onbepaalde tijd verdwenen en te werk gesteld als krijgsgevangene in Oost-Duitsland.
Ik loop om de kerk heen en sta voor de voordeur van wat nu consistoriekamer is geworden. De gevel van het woonhuis wordt niet meer omrankt door druiven, zoals die in die tijd welig bloeiden. Ik blijf even staan op het ovale rooster voor de deur. Het is behouden gebleven en Nico de Bont heeft de gele ijsselsteentjes gebruikt waarin het rooster nu geïntegreerd is. Die steentjes vormden in mijn jeugd het pad dat voerde naar het Torenlaantje. De dikke stenen muur is nog dezelfde waarachter het Segobahuis stond. Het Segobahuis werd voor allerlei doeleinden gebruikt. Zo was er o.a. van 1808-1935 de Vughtse Openbare School gevestigd, waar mijn moeder op heeft gezeten. Er werden sportactiviteiten gehouden. Segoba stond voor Sport en Geestelijke Ontwikkeling Brengen Arbeidslust.

Ik loop terug naar de kerk en ga in gedachten door de voordeur naar binnen. Daar is een kleine hal die toegang geeft tot de huiskamer die is ingericht met een volledig Mechels interieur. Tegen de binnenwand voor de deur naar de alkoof staat een bruine piano. Links de kolenhaard met daarboven de schouw met de grote marmeren pendule met aan weerszijden de pendanten. Rechts van mij het raam dat uitkijkt op het tuinpad dat naar de werkplaats van opa loopt. De deur naar de aangebouwde keuken en buiten vlak achter het huis de poepdoos. Een grote houten stellage met een deksel daarop. Links tegen de gevel van de kerk heeft opa een hondenhok gemaakt met daarnaast een kippenren. Ik hoor het getok van de kippen als ik over het tuinpad huppel en spring in de schommel, die opa aan een dikke tak van de notenboom heeft opgehangen. Tussen het dichte bladerdak schijnt de zon in mijn gezicht als ik hoog in de lucht zweef.
Opa heeft veel hobby’s, naast orgel spelen schildert hij graag. Op dit moment schildert hij ons huis, het is eigenlijk plagiaat want hij schildert het naar een schilderij van de bekende schilder Slager. Het heeft in mijn kamer een ereplaatsje gekregen boven het oude theekastje. Dat theekastje stond onder het raam aan de voorkant van het huis. Als ik op mijn tenen ging staan kon ik het laadje met de altijd gepoetste koperen knop openschuiven. In de grote tuin rondom kerk en toren staan de fruitbomen in bloei. In de zomer kan ik kiezen uit goudrenetten, een rode sterappel, een langwerpige appel waarvan ik de naam niet weet maar die heerlijk zoet is, een sappige perzik, en noten zoveel als ik maar wil. Aan het eind van het seizoen leggen we de voorraad noten van de overvloedige oogst te drogen op de zolder van het huis. De zolder waarnaast mijn slaapkamer waar mijn vriendinnetje een keer mocht komen logeren en waar ik haar spannende verhalen vertelde van een heks die op die zolder verborgen zat onder een groot kleed dat daar hing. Opa moest het vriendinnetje huilend terugbrengen naar huis, in zo’n eng huis wilde ze niet slapen. Ik zie haar in haar nachtponnetje over het pad met de gele klinkertjes aan de hand van opa kleintjes weglopen.

En daar, daar ligt nog een oude grafsteen. De restanten van een oude begraafplaats Een koude luchtstroom strijkt langs mijn kraag en ik trek mijn jas wat steviger om me heen. Het terrein rondom de kerk waar nu geparkeerde auto’s staan was toen een groot grasveld. Op een foto zie ik op het zonnige grasveld de trotse papa en mama met hun eerste dochter. Ze zijn nog jong en blij. Het leven lacht hen toe, zo lijkt het. Toch stond hen een vijfjarige oorlog te wachten met alle beperkingen in hun vrijheid, maar dat is niet te zien aan hun stralend geluk op dat moment. Ze wisten het nog niet.

De oude toren vraagt erom beklommen te worden en ik begin de lange weg omhoog. Naarmate ik hoger kom wordt de stenen trap smaller en smaller. Ik bereik de plaats waar de torenklok vier uur begint te slaan. Boem! Boem! Boem! Boem! Ik houd mijn handen tegen mijn oren gedrukt. Eindelijk boven zie ik diep beneden Vught als een klein paradijs aan mijn voeten. Zachtgroene vlakken, afgewisseld door huizenblokken, het villapark, de grote Petruskerk. Het oude gemeentehuis met daaromheen een vijver die het gebouw koesterend omarmt. Daar vlakbij het pompeuze nieuwe gemeentehuis. Het vertegenwoordigt onze moderne strakke, individualistische samenleving. En kijk, daar diep beneden, aan de voet van de toren staan de restanten van het monumentale pand van Marggraff. De eens zo prachtige villa staat ook in de steigers. Het ging enkele jaren geleden verloren tijdens een brand die het mooie gebouw bijna geheel verwoestte. Het verleden uitwissen kan niet. Het heden oppoetsen, dat is geen slecht idee. Want zoals de laatste Marggraff, grootgrondbezitter te Vught, hier enkele jaren geleden door deze brand in zijn kapitale pand werd overvallen en aan zijn eind is gekomen, dat moeten we maar snel vergeten. Samen met zijn hond werd hij gevonden in de hal van zijn woning. Van deze hoogte zie ik ook de spoorlijn liggen waarlangs de Joden werden weggevoerd naar kamp Vught met al zijn verschrikkingen. Zie ik daar bij het station het monument voor de kinderen die vanaf dit station op transport werden gesteld naar de vernietigingskampen?
Dat was nog ver voordat mijn moeder haar accordeonleraar leerde kennen, wanneer was dat ook alweer? Ja, in 1936. Op een dag was daar die charmante leraar die haar wegwijs maakte op de accordeon en haar virtuoos liet genieten van zijn accordeonspel. Haar hartje ging sneller kloppen en het duurde niet lang of ze was smoorverliefd. Ze werd lid van het accordeonclubje dat hij had samengesteld. Op een foto zie ik haar schuchter in het midden van het groepje zitten. Met haar 22 lentes was ze nog onervaren in de liefde, in tegenstelling tot de accordeonleraar, die bij haar thuis kwam en met zijn charmante glimlach haar jonge lichaam deed sidderen. Dat was voor de 36-jarige charmeur bijzonder spannend want hij kon op enige ervaring in de liefde bogen. Dit bescheiden lieve meisje deed ook zijn hart sneller kloppen. Daar zie ik ze zitten in het gras naast de kerk, hij met een baret op zijn hoofd en zijn arm beschermend om haar heen.
Opa en Oma verzorgden de kerk en hielden op zondagmorgen na de dienst Open huis, waar de kerkgangers welkom waren voor een bakkie koffie. Er werd gesproken over de inhoud van de preek die men zojuist had gehoord en die vaak verwees naar het geweld in de wereld, de dreiging van een oorlog die steeds dichterbij kwam.
Was het door die dreigende oorlog, dat het verliefde stel zo snel wilden trouwen? In ieder geval trouwden ze in september 1939 en gingen in Amsterdam wonen, waar haar man in die periode een woning had. Al snel kondigde de zwangerschap van hun liefdesbaby zich aan. Dat was voor haar ouders reden om erop aan te dringen dat het stel beter naar Vught kon komen. Dat was een nogal roekeloos idee van koster Dannis, gezien het feit dat hun schoonzoon uit een katholiek gezin kwam. Toen hij aan het kerkbestuur vroeg of zijn dochter en schoonzoon tijdelijk in Vught mochten komen wonen, viel dat niet in goede aarde. Hoe haalde de koster het in zijn hoofd om een katholiek in een hervormd gezin toe te laten. Hij zou toch moeten weten dat tussen de twee geloven de duivel zou plaatsnemen.
Het is te danken aan dominee Van Wyhe, die toen voorzitter van het kerkbestuur was, dat er uiteindelijk knarsetandend toestemming tot de inwoning werd verleend. De sfeer in Nederland is steeds grimmiger geworden door het uitbreken van de Tweede wereldoorlog op 10 mei 1940. Dan wordt het gezin op 23 juni 1940 verblijd met de eerste dochter en kleindochter, dat doet de spanning rondom de oorlogsontwikkelingen even vergeten. In het foto-album uit die periode zie ik de liefdevolle blikken die het bundeltje kind behoedzaam in hun hand houden.
Kijk, daar beneden in de Dorpsstraat loopt een vrouw, mijn moeder. Ze draagt een klein kindje gewikkeld in een rode deken. Ze vlucht naar de schuilkelder van dominee Van Wijhe. Daar wachten ze tot de bombardementen over zijn. De dochter ziet de spiegel onder aan de trap en vraagt: “Waarom staat die spiegel daar mama?” En mama antwoordt: “Dan kunnen we daarin zien of er boven brand uitbreekt.” Het duurde niet lang of de vlammen waren te zien in de spiegel. “Mijn tasje, mijn tasje”, riep oma en terwijl ze haar tasje nog net op tijd vond, rende ze naar de overkant, waar ze terecht konden in de kelder van drukkerij Faes. Gespannen wachtten ze daar. Er ligt een wereld tussen toen en nu maar vanaf deze plek is het weer heel dichtbij. Het zal in 1944 geweest zijn toen onze hond Hekkie, de airedail terriër, werd aangereden door een van de in die tijd zeldzame auto’s vlak voor de oprijlaan van Marggraff. Ik huppelde het pad af dat vanaf onze kerk naar de weg liep. Daar lag Hekkie, zijn achterlijf achter zich aan slepend, trachtend naar huis te komen. Hij keek me aan en die blik vergeet ik niet meer. Help me, zei die blik. Het was voor het eerst dat ik doodsangst zag. De dood van Hekkie deed mij beseffen dat je door de dood het liefste wat je hebt kunt kwijtraken. Thuisgekomen voel ik een onbedwingbare behoefte het roze poëziealbum van mijn moeder nog eens in te kijken, het valt open bij het gedichtje dat E. Marggraff aan mijn moeder opdroeg:

Vught, 10-04-1932

Lieve Bertha,
Er bloeit soms aan de waterkant
Verborgen onder het riet
Een bloempje dat eenieder kent
Het heet Vergeet-me-niet
Zoo je nu die lieve bloem
Aan de waterkant ziet staan
Denk dan dat ik tot je spreek
En in de taal der bloemen smeek
Vergeet – me – niet

Je vriendin
E. Marggraff

Het kleine boekje kraakt bij elke bladzijde die ik erin omsla. De plakplaatjes doen op een allerlaatste restje lijm hun best op z’n plaats te blijven.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Kijk ook bij

Schatten van Vught – het Musschengilde

Het Vughts Museum in DePetrus was dicht en daarna beperkt open vanwege de coronacrisis. Daarom …